Theeplant Camellia Sinensis
Algemene theekennis

Camellia Sinensis: de enige échte theeplant

Alle échte thee (groene, gele, witte, zwarte, oolong en post-gefermenteerde thee) is afkomstig van dezelfde theeplant, van de Camellia Sinensis theeplant. Elke theesoort wordt gemaakt van de blaadjes van deze theeplant, maar heeft wel zijn eigen, uniek productieproces. Het is dus het productieproces dat bepaald of een thee een groene thee wordt of een zwarte thee en niet de theeplant zelf. In deze blog gaan we dieper in op de enige échte theeplant, de Camellia Sinensis.

Geschiedenis van de theeplant

Camellia Sinensis Theeplant Over de herkomst van deze plant is veel discussie. De consensus van de meeste wetenschappers is dat de oorsprong te vinden is in een strook die langs de voet van de Himalaya loopt en zich uitstrekt van Assam tot Zuidwest-China. Sommige botanici geloven dat de plant ontstaan is langs de oevers van de Irrawaddy-rivier in Birma (nu Myanmar) en zich vervolgens noordwaarts heeft verspreid naar Zuidoost-China, Noord-Birma en Assam. Andere wetenschappers zeggen dan weer dat de plant voor het eerst groeide in de provincie Yunnan in Zuidwest-China. Terwijl een derde groep wetenschappers gelooft dat de plant twee afzonderlijke plaatsen van oorsprong heeft: één in Oost- en Zuidoost-China en de andere in de provincie Yunnan in het zuidwesten van China. Dit idee van de twee oorsprongen komt voort uit het feit dat er twee subsoorten van de plant zijn gevonden: de kleinbladige variant in de gematigde gebieden van Zuidoost-China en de grootbladige variant in de tropische gebieden van Yunnan, Vietnam, Laos, Myanmar en Assam.

Hoewel geen enkele plaats eenduidig gedefinieerd kan worden als de geboorteplaats van thee, lijkt de meerderheid ervan uit te gaan dat de plant voor het eerst opdook in de Chinese provincie Yunnan en mogelijk ook in de provincies Sichuan en Guizhou, tijdens het Tertiair tijdperk van 66 tot 2,58 miljoen jaar geleden.

Algemene kenmerken Camellia Sinensis

De theeplant is wetenschappelijk geclassificeerd als Camellia Sinensis (L). O. Kuntze:

  • Familie: Theaceae
  • Geslacht: Camellia
  • Soort: sinensis

Deze groenblijvende plant gedijt goed in de (gedeeltelijke) schaduw van bossen en wouden en geeft de voorkeur aan diepe zand- of leemgrond met een zure pH van 4,5 tot 5,5. De wortels hebben veel water nodig, maar de grond moet goed doorlatend zijn. De witte bloemen zijn hermafrodiet en hebben fragiele witte bloemblaadjes die soms lichtroze getint zijn en een krans van heldergele meeldraden omringen.

De theestruiken hebben 1140 tot 1270 mm regen nodig, gelijkmatig verdeeld over het jaar. De verschillende soorten Camellia Sinensis hebben verschillende temperaturen nodig voor een succesvolle groei. De meer winterharde soorten hebben het liefst temperaturen tussen 12,5 °C en 32 °C en kunnen sneeuw overleven. Sneeuw fungeert als een isolator voor de struik. Temperaturen onder het vriespunt en temperaturen van meer dan 35 °C zijn dan weer schadelijk voor de plant.

Subsoorten

Ongeacht de oorsprong staat wel vast dat de Camellia Sinensis theeplant twee subsoorten kent: Camellia sinensis var. sinensis en Camellia sinensis var. assamica.

  1. Camellia sinensis var. sinensis S

Camellia sinensis var. sinensis S, ook gekend als de Chinese variëteit, heeft kleinere bladeren en is afkomstig uit zuidoost China. De Chinese subsoort is een grote struik die vanuit de basis van de plant talrijke rechtopstaande stengels ontwikkelt en 3 tot 4 meter hoog kan worden.

De smalle, stevige bladeren zijn gemiddeld 1 tot 6 centimeter lang en 1,5 tot 2 centimeter breed. De bloemen zijn klein en bloeien alleen of in paren.  De plant is winterhard en geeft de voorkeur aan de koele temperaturen van hoge berghellingen. Deze variant kan overleven op hoogtes tot 2700 meter. Tijdens koudere seizoenen is de plant inactief. Nieuwe bladscheuten beginnen pas te groeien bij de eerste lentezon en vroege voorjaarsbuien. De plant is inheems in China en Japan.

  1. Camellia sinensis var. assamica

Camellia sinensis var. Assamica, ook wel de assam variëteit, heeft grotere bladeren en is afkomstig uit Yunnan, Vietnam, Laos, Myarmar en Assam. De Assam subsoort wordt zo genoemd omdat hij daar voor het eerst werd gevonden door Europeanen in het begin van de 19e eeuw. Deze variëteit is groter dan de Chinese variant en kan tot wel 18 meter hoog worden. Deze plant heeft meestal één stam waaruit zich stevige takken ontwikkelen. De bladeren zijn veel groter dan die van de Chinese variëteit, vandaar de benaming grootbladige variant. De glanzende bladeren hebben een lengte van 8 à 30 centimeter, duidelijke nerven in elk blad en prominente randnerven. De bloemen zijn roomwit met hints van geel. De plant houdt van laag gelegen plaatsen in subtropische gebieden en gedijt goed bij hoge temperaturen en hoge luchtvochtigheid.

In het algemeen bevatten de bladeren van de assamica variëteit meer cafeïne en polyphenolen dan de Chinese variëteit. Deze plant is inheems in Assam, China, Myanmar, Thailand, Laos en Vietnam.

Variëteiten en cultivars

Variëteiten en cultivars Camellia Sinensis Binnen de Camellia sinensis subsoorten bestaan wereldwijd duizenden variëteiten en cultivars, elk met hun eigen individuele eigenschappen zoals bladgrootte, bladkleur, bloemgrootte, tanninegehalte, cafeïnegehalte en polyfenolen. Een variëteit is een plant die zich door natuurlijke selectie of mutatie heeft ontwikkeld. Enkele voorbeelden van natuurlijke variëteiten van de Camellia sinensis var. Assamica zijn Yiwu Green Bud, Tengchong Broad Leaf en Mingfeng Mountain Broad Leaf. Een cultivar (afgeleid van cultivated variety) verwijst dan weer naar een plant die doelbewust door wetenschappers of botanici is gecreëerd. Enkele gekende voorbeelden van Japanse cultivars zijn Sayamamidori (voor het maken van sencha), Kyoumidori (voor het maken van tencha en gyokuro) en Benikaori (voor het maken van zwarte thee).

Nieuwe cultivars worden gecreëerd door het kruisen van planten die zijn geselecteerd op hun vermogen om in bepaalde omstandigheden te gedijen en thee te geven met een bepaald geur- en smaakprofiel. Cultivars kunnen worden gekweekt voor hun hoge opbrengst, hun resistentie tegen plagen, hun vermogen om warmer en droger weer te overleven, hun gehalte aan antioxidanten, hun sterke smaak of bloemige aroma die men ervan verwacht.

Nieuwe cultivars worden door onderzoeksinstellingen pas vrijgegeven voor de teelt na goedkeuring door de bevoegde overheidsinstanties. Nieuwe theeplanten kunnen worden gekweekt uit zaad of kunnen worden gecreëerd door afleggen of enten. Tegenwoordig is de meest gebruikte methode het creëren van klonen door vegetatieve voortplanting. Gekloonde planten produceren ongeveer voor 50 jaar succesvol theebladeren, terwijl zaadplanten meer dan 100 jaar kunnen meegaan.

Een van de landen die het sterkst bezig is met ontwikkelen van nieuwe cultivars is Taiwan, het voormalige Formosa. Daar heeft men het TRES-instituut waar research en het telen van nieuwe cultivars de hoofdbezigheid is. Taiwan heeft zich in de afgelopen 100 jaar zo sterk ontwikkeld op dit gebied dat verschillende andere theelanden nu ook op de Taiwanese kennis beroepen.

Bronnen

Pettigrew, J. (2018). World of Tea: Discovering producing regions and their teas. USA: 83Press

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *